Hier volgt een artikel over de aankoop en inzet van de Leopard2A4, A5 en A6 door de Koninklijke Landmacht.

 

 

De tank werd in München (Duitsland) ontwikkeld door het toenmalige Krauss-Maffei AG (tegenwoordig Krauss-Maffei Wegmann).

De Leopard 1 was in 1963 ontwikkeld voor het Duitse leger. Zo'n 6485 exemplaren van alle varianten werden geleverd aan tien landen, waaronder Belgie en Nederland. Al meteen toen de Leopard 1 in productie ging, kreeg Porsche de opdracht een ontwikkelingsproject voor een verbeterde versie te starten. Tot 1967 werd onderzoek verricht naar de vergoldeter Leopard. In dat jaar werd het duidelijk dat het Amerikaans-Duitse MBT-70-project aan het mislopen was. Het verdrag tussen beide landen verbood een aparte nationale tankontwikkeling, dus begon men aan een naamloos project, de Experimentalentwicklung, voor het ontwikkelen van een eigen Duitse middelzware tank, die later de naam Keiler zou krijgen. Omdat het budget door de dure MBT-70 erg krap was, kreeg men slechts na veel bidden en smeken (vaak letterlijk) een som van 25 miljoen DM los. Dit was eigenlijk niet genoeg, maar Krauss-Maffei besloot een diepte-investering te doen en de rest van de kosten voor eigen rekening te nemen.

Er werden twee prototypen gebouwd. Deze waren even zwaar als de Leopard 1 maar waren uitgerust met een nieuw afstandspantser, een nieuw ontwikkelde motor van 1250 pk, laserafstandsmeters ter aanvulling van de optische afstandsmeters en een gecomputeriseerde vuurleiding. Ze waren de directe voorlopers van de Leopard 2 en werden beproefd tot in 1972.

Ondertussen was in 1969 de samenwerking met de Amerikanen opgezegd. Een Duitse groep probeerde nu het project nieuw leven in te blazen door het onderstel van de MBT-70 te combineren met een wat verkleinde toren met een normaal kanon in plaats van een kanonraketlanceerder. Ze noemden dit project de Eber. De groep die met de Experimentalentwicklung bezig was, bracht nu haar project in de openbaarheid onder de naam Keiler.Begin 1970 werd besloten een Leopard 2K (K stond voor Kanone) te ontwikkelen op basis van de Keiler. Deze tank moest een gewicht hebben van maximaal vijftig ton en zou de 1500 pk motor van de MBT-70 gebruiken. Er werd opdracht gegeven voor de bouw van zeventien prototypen (F(ahrgestell) 1-17 en apart P(rototyp) T(urm) 1-17) waarvan er zestien daadwerkelijk gebouwd zouden worden (F-12 niet). Tien daarvan hadden het 105 mm gladdeloopskanon en zes het 120 mm gladdeloopskanon. Eerst onderzocht men ook nog of toch niet het 152 mm kanon kon gebruiken voor een Leopard 2FK (FK stond voor Flugkörper), maar daar zag men al snel van af. Evenzo toonden beproevingen met twee prototypen (F 11 en 17) aan dat de onbetrouwbaarheid van een hydraulische ophanging niet voldoende gecompenseerd werd door de hogere mobiliteit.

Het bleek al snel dat de prototypen anderhalve ton ton zwaarder zouden uitvallen dan het maximumgewicht van vijftig ton. De Jom Kipoeroorlog in 1973 leek echter aan te tonen dat tanks met een beschermingsniveau dat gebruikelijk was in de jaren vijftig en zestig gemakkelijk konden worden uitgeschakeld door radiogeleide raketten. Men besloot daarom in 1974 om de gewichtsklasse te verhogen tot 60 ton, in plaats van een gewichtsbesparing te bereiken door een smallere EMES 13 optische afstandsmeter te installeren (voor een Spitzmausturm) of door het hele project te vervangen door een sterk verbeterde Leopard 1.

Dit alles vond plaats in de context van een hernieuwde overeenkomst met de Amerikanen, getekend op 11 december 1974, om toch te proberen gezamenlijk een nieuwe tank aan te schaffen. In februari 1973 was de F-7 aan de Amerikanen verkocht en die waren zeer onder de indruk geraakt van de technische kwaliteiten.

De Duitsers zouden twee nieuwe prototypen bouwen (en drie torens) met veel zwaarder pantser dan de eerdere prototypen maar met een versimpelde vuurleiding, die daarom de Leopard 2 AV (Austere Version) zouden heten. De oude prototypen hadden een zeer afgeschuind frontpantser op de toren. Dit bestond vooraan uit een afstandspantser dat pantsergranaten moest doen afketsen. Bij proefnemingen bleek dat effect tegen modernere staafpenetratoren erg tegen te vallen. Bij inslag werd de punt van de penetrator naar boven gebogen waardoor hij het resterende deel van de pantserplaat sterker uitrekte en juist eenvoudiger doorsloeg. Men had het pantser nóg schuiner kunnen maken, zoals bij de Israëlische Merkava, doch men besloot maar van het afstandspantserconcept af te zien en het hoofdpantser zo dik mogelijk te maken. Om te voorkomen dat het gewicht te sterk zou toenemen werd een techniek toegepast die men al voor de MBT-70 ontwikkeld had: het zeer dikke stalen pantserblok werd uitgeboord met kopse perforaties die een gewichtsbesparing opleverden van ruim een derde, terwijl de "gaten", anders dan men zou denken, geen zwakke punten veroorzaakten omdat de penetratorstaaf brak als hij de rand ervan raakte. Zo kon de pansterequivalentie op zo'n 650 mm staal worden gebracht. Dit werd het eerst beproefd op PT-14. De Amerikanen oefenden in 1974 sterke druk uit ook het Chobhampantser met keramische tegels te gebruiken dat ze zelf net van de Britten hadden overgenomen, maar de Duitsers vonden dat te eenzijdig gericht op holleladingswapens.

 

 

In augustus 1976 werden toren en romp van het eerste prototype (P-19) van de 2 AV samengevoegd, uitgerust met het 105 mm L7A3 kanon. Van september 1976 tot maart 1977 werden prototypen van beide landen beproefd in de VS. Voor de schietproeven werd PT-19 op F-7 geplaatst, voorzien van het nieuwe 120 mm kanon; het onderstel ging eind december 1976 al naar Duitsland terug. Hoewel de Duitsers gegarandeerd was dat de Leopard 2 als gezamenlijke tank gekozen zou worden indien hij als beste uit de bus zou komen, viel de Amerikaanse keuze in 1977 toch op hun eigen M-1 Abrams, officieel omdat die wat goedkoper was in de aanschaf en beter beschermd tegen holleladingswapens (maar een heel stuk slechter tegen penetratoren: 350 tegen 650 mm). In feite had men al in de zomer van 1976 door slim gelobby van Chrysler besloten om de M1-productie op te starten. Door deze keuze schonden de Amerikanen hun verdragsrechtelijke verplichtingen maar de Duitsers zagen er om redenen van geheimhouding vanaf dit publiekelijk aan de kaak te stellen. Uiteindelijk vielen de gebruikskosten van de M1 twee maal zo hoog uit: de Amerikaanse tank zou de eerste dertig jaar niet naar een westers land geëxporteerd worden.

In september 1977 bestelde men 1800 Leopard 2's. Die zouden echter niet identiek zijn aan de 2 AV, want het productietype was nog verder verbeterd met een laserafstandsmeter en veel zwaarder pantser voor op de romp. Om dit te testen werd een kleine voorserie besteld op 20 januari 1977 van twee onderstellen en drie torens, waarvan de eerste werd afgeleverd op 11 oktober 1978. Een voorstel, afkomstig van het Leopard 3-project, om de bestuurder alsnog, net als bij de MBT-70, in de toren te plaatsen, werd echter afgewezen. Het eerste serie-exemplaar van de Leopard 2 werd geleverd op 25 oktober 1979. Op 2 maart 1979 had Nederland al 445 stuks besteld. Het type was toen de zwaarstbepantserde operationele tank ter wereld. De tank werd (door)verkocht aan het Duitse, Nederlandse, Zwitserse, Oostenrijkse, Deense, Noorse, Poolse, Griekse, Zweedse, Finse, Spaanse en Turkse leger. Ondertussen zijn er meer dan 3200 geproduceerd, met licentiebouw in Zwitserland en Spanje. De geplande productie in 2006 zou een totaal moeten opleveren van 3459.

 

Versies

 

 

Leopard 2: De Leopard 2 had een veel grotere en hoekiger geschuttoren dan de Leopard 1 vanwege een pantser van geperforeerd staal en de munitieopslagplaats achterin. Ook had ze een langere neus voor een dikker pantser.

In september 1977 koos het Duitse ministerie van defensie Krauss-Maffei voor de bouw van 1800 stuks in vijf leveringsseries. Het Duitse bedrijf Maschinenbau Kiel nam als onderaannemer 45% van de constructie voor zijn rekening. De eerste levering van 380 stuks begon in 1979 en eindigde in maart 1982, serienummers 10001-10210 en 20001-20172. De eerste tweehonderd daarvan hadden een beeldversterker. De overige honderdtachtig kregen een nieuw thermisch (infraroodversterker) systeem voor nachtzicht.

Leopard 2A1: De tweede serie van 450 stuks kreeg een aantal kleine aanpassingen mee. De meest opvallende waren: het weglaten van de anemometer, de aanpassing van de munitierekken zodat deze dezelfde waren als die in de M1A1 Abrams en een nieuwe brandstoffilter voor sneller tanken. De 2A1's werden tussen maart 1982 en november 1983 geleverd, met de serienummers 10211-10458 en 20173-20374.
De derde serie van driehonderd stuks werd gebouwd tussen november 1983 en november 1984, met de serienummers 10459-10623 en 20375 en 20509. Er waren een aantal kleine veranderingen maar niet genoeg om een nieuw Ausführung-nummer te rechtvaardigen, dus ook de derde serie werd A1 genoemd, waarvan er dus 750 gebouwd zijn.

 

Leopard 2A2: tussen 1984 en 1987 werden alle voertuigen van de eerste serie op de standaard van de derde serie gebracht. Deze voertuigen noemde men Leopard 2A2. Er heeft dus geen nieuwbouw plaatsgehad.

 

Leopard 2A3: De grootste verandering was de toevoeging van de SEM80/90 digitale radioinstallatie. Het munitieluikje aan de linkerzijde van de toren werd dichtgelast om lekkage te voorkomen.

 

Leopard 2A4: De 2A4 kreeg een verbeterd pantser (vermoedelijk kopse wolfraam staven in titanium buizen) in de geschuttoren, een automatische viziersluiting bij het vuren en een digitaal vuurcontrolesysteem. De toepassing van deze pantsertechnologie zou, gekoppeld aan een zekere gewichtstoeneming (het gewichtsverschil is nooit naar buiten gebracht), het beschermingsniveau anderhalf keer hoger moeten hebben kunnen brengen.

 

Leopard 2A5: Gedurende de jaren tachtig liepen er verschillende projecten om de pantsering en vuurkracht van de Leopard 2 te verbeteren. Op 29 oktober 1991 sloten Duitsland, Nederland en Zwitserland een overeenkomst om hun tanks gedeeltelijk op KWS (Kampfwertsteigerung) II niveau te brengen. Op 29 december 1993 kreeg Krauss-Maffei opdracht 225 voertuigen tot de A5 om te bouwen. Na 1998 volgde een tweede bestelling van 125 stuks. Voor de A5 werden onderstellen van de zesde, zevende en achtste bouwserie gebruikt, omdat die natuurlijk het minst versleten zijn. De torens kwamen van eerdere bouwseries, waarvan de onderstellen weer met die van de latere gecombineerd zijn, zodat veel voertuigen "hybriden" zijn geworden. De eerste werd op 30 november 1995 afgeleverd. De A5 werd uitgerust met een brekerafstandspantser op de toren, weliswaar voornamelijk bedoeld tegen antitankraketten maar ook in staat inslaande penetratoren zo te vervormen dat doorslag van het hoofdpantser bij alle bekende granaattypen voorkomen wordt. Officieel is een beschermingsequivalentie geclaimd van "boven de 1300 mm" tegen alle typen. Een belangrijke verandering van A4 naar A5 is dat de gevechtstoren niet meer hydraulisch draait maar door middel van een elektrisch systeem (o.a. elektromotor voor de breedte en hoogte) aangedreven wordt. Dit maakt het werken op het voertuig aanzienlijk veiliger. Het nadeel van de hydraulische installatie was dat het zeer brandgevoelig was bij een eventuele treffer. De 120 Zweedse A5 tanks (Stridsvagn 122) hebben ook een zwaarder pantser op de romp en de bovenkant van de toren.

 

Leopard 2A6: De 2A6 is een verdere modernisering (Kampfwertsteigerung I) van bestaande tanks en kreeg een langer Lang 55 kanon, keuze voor een hulpmotor, verbeterde bescherming tegen landmijnen en keuze voor een airco.

 

Nederland:

Nederland heeft met 445 Leopard 2's 369 Centurions en 130 AMX-13's vervangen. Andere kandidaten welke beoordeeld zijn waren de; XM-1 (120/105mm), M60A3, Leopard 1A4, F-MBT-80, verbeterde Chieftain (later Challenger 1), Vickers, Pz 68, Strvgn 103, Kjp 105, IKV 91, TAM, Centurion retrofit, EPC, AMX-32 en de AMX-30 Valorise. In 1978 had de KL een studie afgerond, waarin antwoordt gegeven werd op de vraag wat voor het 1e legerkorps de beste verhouding tussen tanks en anti-tank wapens was. In het landmacht-jargon van die tijd heette dit de optimale mix. Om deze te berekenen had TNO met de computer het verdedigend gevecht op bataljonsniveau gesimuleerd. Dit ‘’operational-research-project’’ wees uit dat het 1e legerkorps behoefte had aan 913 tanks en 475 AT-wapens lange dracht. De politieke leiding maakte deze landmacht studie tot uitgangspunt van haar beleid. Omdat er al 468 Leopard 1’s, zoals zij voortaan werden genoemd, in de bewapening waren, werden 445 Leopard 2’s aangeschaft. De nieuwe tanks, waarvoor in juni 1979 het contract met Krauss- Maffei werd ondertekend, zouden tussen 1981 en 1986 worden geleverd. De eerste van de 445 tanks was afgeleverd in juli 1981 op de Bernhard kazerne in Amersfoort. De officiële overdracht was op 3 september 1981 (kenteken KU-84-00). Op 28 juli 1983 ontving 43 tankbataljon in Langemannshof (Duitsland) de eerste Leopard 2 tanks. Zo begon de grote tankvervanging die het Centurion en AMX-13 tijdperk afsloot. De Nederlandse tanks kwamen uit de tweede en derde bouwserie, serienummers 12001-12278 en 22001-22167. De voertuigen weken af van de Duitse versie door andere rookwerpers n.l.een Nederlandse rookbuslanceerinrichting (RBLI) met aan elke zijde 6 lanceerkokers met een kaliber van 76 mm en een bereik van 25 tot 40 meter, voor de bestuurder een helderheidsversterker van Nederlands fabrikaat met een opbergkist links van de voeten van de bestuurder, FN MAG machinegeweren (1 x torendak en 1 x FN-MAG mod.3 coaxiaal geplaatst), RT-3600 radio’s en ander antennepods. Later is ook op de Nederlandse Leopard 2A4’s het luik aan de zijkant van de toren bij de lader dichtgelast en de holte daarachter opgevuld met een pantserpakket. Ook is de zogenaamde Feld Justier Anlage (FJA) aan de rechterzijde van de schietbuismonding gemonteerd . In januari 1993 werd besloten het bestand te verlagen tot 330; 115 werden in 1996 voor 310 miljoen gulden verkocht aan Oostenrijk, waarvan er één met beschadigde romp geweigerd werd. In 1993 was overeengekomen 330 voertuigen tot A5 standaard te verbeteren maar dit werd verminderd tot 180, die echter wel op A6 standaard worden gebracht. Het kleurenschema veranderde ook van RAL 6014 (legergroen) ging men vanaf de A5 over op een standaard patroon met de kleuren bronsgroen, lederbruin en teerzwart wat door Duitsland ontwikkeld is. Van de overige zijn er 52 verkocht aan Noorwegen. Aan het parlement is in 1995 beloofd voor het surplus niet actief naar kopers te zoeken. Op 8 april 2011 werd besloten om alle overgebleven Leopard 2A6 tanks, 82 exemplaren, uit te faseren vanwege de bezuinigingen binnen het Ministerie van Defensie. Nederland gaat echter wel oefenen met Duitse Leopard 2's.

 

Bron: Wikipedia